volg ons via

Twitter

Meer blog

Steden in brand?

Soms lees je een artikel waarvan je meteen onder de indruk bent. Het pleidooi van Giep Hagevoort en John Huige om werkloze jongeren een plan te laten ontwikkelen en uitvoeren om een duurzame buurteconomie te creëren was er zo een. Het artikel voorspelt grote onlusten in de wijken in Nederlandse steden als er niet snel op lokaal niveau politiek wordt ingegrepen. Enthousiast twitterde ik het rond en ik kondigde aan er een vulkaantje over te schrijven. Inmiddels is de eerste ‘verliefdheid’, want zo voelt een dergelijk enthousiasme, wat bekoeld en heb ik ook wat kritische noten te kraken, maar eerst ruimte voor de bron van mijn geestdrift.

Eindelijk een analyse die kleinschalige, lokale initiatieven verbindt aan politiek en het politieke én signaleert dat we, de beweging van ‘onderop’, in al het positivisme wel eens vergeten dat een steeds grotere groep kwetsbaren de aansluiting duurzaam dreigt te verliezen. Misschien is de kloof tussen groepen burgers wel veel groter dan die tussen burgers en politiek, burgers en overheid.
De poging om voorlopers op het gebied van een duurzame, lokale economie van het delen en een groeiende groep jongeren die buiten de boot valt dichter bij elkaar te brengen is toe te juichen en dat geldt zeker ook voor het pleidooi om van onze onderwijsinstituties echte centra van talentontwikkeling voor iedereen te maken. Maar, u voelde hem al aankomen, op de voorgestelde interventies valt bij nader inzien nogal wat af te dingen.

Hun voorstellen om van de mbo’s echte centra van talentontwikkeling te maken verdienen alle lof. Ik zou daar graag vmbo en hbo aan toevoegen overigens. De constatering dat hbo’s over het algemeen witte bastions zijn klopt niet, zeker niet in de grote steden, zo’n 40% van de studenten is ‘allochtoon’, voor met name economische opleidingen ligt dat aantal boven de 50%. Autochtoon en allochtoon zijn veel te grove categorieën (geworden). Wat we voor de autochtone groep allang accepteerden, namelijk dat de onderlinge verschillen immens zijn, gaat ook voor de verschillende etnische groepen op.
Het artikel suggereert dat jongeren in de marge van de maatschappij, grotendeels allochtoon zijn, ik denk dat we deze oververtegenwoordiging niet moeten overdrijven en veel preciezer moeten kijken naar bepalende factoren. Waarschijnlijk kom je dan uit op een kluwen van sociaal-economische omstandigheden (klasse), woonomgeving, gender en ook etniciteit. Het gaat om degenen die niet in het plaatje van de ideale burger (willen) passen, om degenen wiens kwaliteiten niet passen in de mallen van onze instituties en bij de (burgerlijke) beelden van normaliteit. Ook in die zin is deze groep superdivers, etnicititeit is maar een van de factoren en het zou een gemiste kans zijn om daar te veel op te focussen.

Zou het werken jongeren dwingend op te leggen goed werk voor de lokale gemeenschap te verrichten? Ze mogen weliswaar een plan maken wat te gaan doen, als de verplichting om het te gaan doen buiten henzelf ligt, zal dat geen soelaas bieden.  Waarom beperken Hagoort en Huige de inzet van jongeren tot lokale initiatieven? Zouden de betreffende jongeren als vanzelf daar meer bij betrokken zijn? Ik vraag het me af.
Het lijkt erop dat de heren zelf ook hun twijfels hebben bij de werkzaamheid en in ieder geval draagvlak, waarom zouden ze anders ‘de politiek’ nodig hebben om hun plannen af te dwingen? Meer in lijn met hun maatschappelijke en politieke visie, en hun positie als culturele ondernemers, zou immers zijn om zelf dergelijke initiatieven op te gaan zetten en de politiek vervolgens te vragen om mogelijke belemmeringen weg te halen en op andere wijze te faciliteren. Niet om er een groot werkgelegenheidsplan vanuit de gemeente(n) van te maken.

Ook ik pleit voor een politisering van lokale, duurzame initiatieven. Maar dan meer een politisering van onderop. In al het positivisme mis ik doorgaans een besef dat het niet louter een kwestie is van ‘als je maar wil, dan kan het wel’, en ook niet dat als iedereen wakker zou worden, de ogen zou openen, dat men dan wel de juiste weg vindt. Een pad naar een meer circulaire en delende economie is geen vanzelfsprekend pad, niet iedereen wil mee en niet iedereen heeft er alleen maar bij te winnen. Juist om doelen te bereiken is politiek besef belangrijk, om te voorkomen dat je speelbal wordt van politici en politieke stromingen die ietwat te gretig burgerinitiatieven voor hun eigen karretje spannen. Af en toe samen opgaan kan geen enkel kwaad, is zelfs hard nodig om wat te bereiken, maar dan alleen als daarmee ook de eigen koers op zijn minst gewaarborgd is en idealiter het parcours makkelijker wordt en een versnelling kan optreden.
Daarbij is het belangrijk te beseffen dat elk project in zekere zin ook een politiek project is. Politiek gaat namelijk ook over een (gezamenlijk) nadenken over de inrichting van onze maatschappij. Wat voor samenleving willen we en hoe gaan we dat een beetje fatsoenlijk en eerlijk voor elkaar krijgen? Politiek gaat over verdelingsvraagstukken: wie krijgt wat wanneer en waarom? Waar willen we naartoe en hoe? Politiek gaat over publieke waarden. Waar houdt jouw vrijheid op en komt deze in de knel met een anders vrijheid? Wil iedereen evenveel duurzaamheid en eerlijk delen? Kun jij dat voor de ander bepalen? Hoe democratisch is dat?
Over deze vragen zal ‘ook de’ politiek zin de zin van (lokaal) bestuur zich moeten buigen als het erover gaat of en op welke manier en in welke mate de lokale initiatieven gesteund moeten worden. Als we dan inderdaad meer maatschappij, minder overheid, meer zelfredzaamheid of samenredzaamheid willen, wat zijn dan de consequenties voor de overheid? Voor de publieke zaak? Dit zijn politieke vragen en terecht dat denktanks, bestuursadviseurs en adviesraden zich hierover buigen.

Hagoort en Huige laten zich niet voor een politiek karretje spannen, hun pleidooi lijkt eerder andersom een poging om ‘de’ politiek voor hun zaak in te zetten. En die zaak is ruim baan voor de lokale duurzame initiatieven, als daarmee tegelijkertijd ook nog wat gedaan kan worden aan het probleem van grote jeugdwerkloosheid en maatschappelijke problematiek veroorzaakt door jongeren aan de rafelranden van de maatschappij, is dat mooi meegenomen. Daarbij wordt niet geaarzeld grof geschut in te zetten. ‘Wijken Nederlandse steden branden in 2015’. Een beproefde strategie: als we nu niets doen dan loopt het helemaal uit de hand, we kunnen nu nog iets doen, voordat het te laat is. Zo is ook ooit de krachtwijkenaanpak op de agenda gezet, niet door de PvdA overigens maar door vvd’er Winsemius. Het pleidooi om jongeren in te zetten voor lokale duurzame initiatieven kan heel goed gelezen worden als een aan de tijdsgeest aangepaste versie van de wijkenaanpak.

Plaats een reactie

captcha

Please enter the CAPTCHA text